Om onze website gebruiksvriendelijker en persoonlijker te maken, gebruiken wij cookies. Bezoek je onze website, dan ga je akkoord met deze cookies.
Minddistrict

"Ongeveer de helft van de mensen krijgt online therapie, de jongeren vrijwel allemaal"

Jubileuminterview: Hoe ehealth chronische vermoeidheid aanpakt

Bij het Nederlands kenniscentrum chronische vermoeidheid (NKCV) wordt Minddistrict ingezet om modules te creëren voor mensen met vermoeidheidsklachten. Patiënten kunnen leren de vermoeidheid aan te pakken. Dat kan voor forse verbetering zorgen, aldus klinisch psycholoog Hans Knoop, hoofd van het NKCV en ook werkzaam bij de afdeling Medische Psychologie van het AMC.

Foto van Hans Knoop, hoofd van het NKCV Hans Knoop, hoofd NKCV

De ontwikkelde modules zijn een belangrijke toepassing in de behandeling van vermoeidheid, vertelt Knoop. “Voor zowel mensen met die ernstig moe zijn zonder dat er een lichamelijke verklaring gevonden wordt als mensen met een lichamelijke ziekte die daarnaast moe zijn.” Het NKCV ontwikkelde interventies die op het gebied van patiëntenzorg en onderzoek gebruik maken van Minddistrict. Het NKCV werkt samen met de afdeling Medische Psychologie van het AMC en VUmc. De afdeling medische psychologie heeft ook een toepassing ontwikkeld voor gebruik bij dermatologie en mensen met diabetes. In hun geval gaat het om stemmingsklachten.

Online project voor jongeren met vermoeidheidsklachten

In 2012 begon het NKCV met een online project voor jongeren met vermoeidheidsklachten. “Die groep is al gedigitaliseerd, dus zij vonden het makkelijk en fijn om toe te passen. Daarnaast zijn we een landelijk behandelcentrum en moesten mensen dus van ver komen. Door de internettherapie hoefden zij minder te reizen.” Na de positieve ervaringen van dit project zijn er ook programma’s voor volwassenen ontwikkeld.

Dit jaar vieren we dat Minddistrict tien jaar geleden het licht zag. Daarom hebben we interviews gehouden over tien mooie samenwerkingen uit de afgelopen tien jaar. De verhalen vind je in de jubileumbundel '10 jaar in 10 verhalen'. Een aantal van deze verhalen publiceren we ook hier online. Wil je alle verhalen lezen? Dan kun je de jubileumbundel aanvragen.

Knoop leerde Minddistrict kennen toen hij van het Radboud UMC naar het AMC verhuisde. “Er was toen al een contract tussen de afdeling medische psychologie van het AMC en VUmc en Minddistrict voor toepassingen van ehealth, dus dat hebben wij toen ook overgenomen in het NKCV. Daarna zijn we ook toepassingen gaan ontwikkelen voor vermoeidheid bij mensen met een chronische lichamelijke aandoening.”

Meerdere modules voor chronische vermoeidheid

De content die in het vermoeidheidscentrum gebruikt wordt, is door het team van Knoop zelf ontwikkeld in het CMS van Minddistrict. “Het idee achter deze content is dat een ziekte je moe kan maken. Maar of die vermoeidheid blijft en hoeveel last je daarvan hebt, wordt ook bepaald door hoe je ermee omgaat. Mensen leren met hulp van die content met hun vermoeidheid omgaan of ze krijgen concrete handvatten om er minder last van te hebben.” Voor elke patiënt wordt eerst gekeken welke factoren een rol spelen bij de moeheid. “Bij de ene patiënt leidt een ontregeld slaapritme tot moeheid, de ander is te weinig actief of heeft stemmingsklachten die de moeheid versterken. We hebben voor elk van deze factoren modules ontwikkeld en kijken per patiënt welke relevant zijn om in te zetten.” Dit is wel altijd in een blended vorm, aldus Knoop. Na een face to face intakegesprek met vragenlijsten, wordt gekeken naar de online opties.

We kijken per patiënt welke factoren een rol spelen bij de vermoeidheid en welke modules voor die persoon relevant zijn.

In totaal zijn er nu zes vermoeidheidsinterventies ontwikkeld. Daarnaast is er bij medische psychologie één interventie voor dermatologie ontwikkeld en ook meerdere voor diabetespatiënten. “We hebben in het vermoeidheidscentrum verschillende studies gedaan naar de effectiviteit van de interventies. Daaruit bleek dat ze werkten.” De behandelingen worden nu ook in de reguliere zorg toegepast, ook bij andere ggz-instellingen. “Ons centrum wordt jaarlijks door zo’n vijfhonderd tot zeshonderd mensen bezocht. Ongeveer de helft krijgt ook online therapie, de jongeren vrijwel allemaal.”

Behandeling via het internet kost zo’n dertig tot veertig procent minder tijd van therapeuten in vergelijking met een face-to-facebehandeling. “Dat is heel gunstig. En niet iedereen doet natuurlijk mee. Sommige patiënten zijn minder handig online of hebben liever alleen gesprekken.”

Illustratie bij onderzoek: een vergrootglas en taartdiagram 'We hebben verschillende studies gedaan naar de effectiviteit van de interventies.'

Meekijken en feedback geven

Een onderdeel van de behandeling is een bewegingsprogramma om mensen te stimuleren geleidelijk meer lichamelijke activiteiten te gaan ondernemen, bijvoorbeeld fietsen of wandelen. Online houden ze hun voortgang bij en ze kunnen er berichten over sturen naar de therapeut. Als dit lukt pakken ze ook andere activiteiten op. “Tegenwoordig kunnen ze ook via videocontact met de therapeut bespreken hoe het gaat. Die therapeut kan meekijken in de resultaten en feedback geven op de opdracht.” Daarnaast zijn er opdrachten rondom het aanhouden van vaste bedtijden. “Soms slapen mensen meer of op andere tijden, maar dat blijkt niet altijd behulpzaam. Mensen houden dit bij in een dagboek en werken daarna aan meer regelmatige bedtijden.”

Soms is de uitwerking praktisch: meer activiteiten ondernemen of een slaappatroon aanmeten.

De uitwerking kan dus heel praktisch zijn, maar soms gaat het meer om gedachten over de klachten. Bijvoorbeeld door de gedachten die ontstaan rondom hun moeheid. “Sommige mensen zijn angstig dat de ziekte die ze hebben ernstiger wordt. Het piekeren hierover kan ze moe houden. Door het registreren daarvan krijgen ze inzicht in hun daadwerkelijke moeheid en hun piekergedrag, en kunnen ze zelf tot helpende gedachten komen en proberen het piekeren te verminderen. Veel cliënten doen meerdere modules.” Er zijn volgens Knoop verschillende in stand houdende factoren van de moeheid die je aanpakt in de behandelonderdelen. Elk behandelonderdeel bestaat weer uit deelstapjes.

Sommige mensen zijn angstig dat de ziekte die ze hebben ernstiger wordt. Het piekeren hierover kan ze moe houden.

De toekomst: directe feedback op basis van resultaten

In alle modules staat het zelf inzicht krijgen centraal. Een actieve aanpak gebaseerd op wat mensen zelf kunnen. In de toekomst zou Knoop graag zien dat er directere feedback te krijgen is op basis van de resultaten. “In therapie praat je achteraf over de oefeningen die de patiënt thuis heeft gedaan. Via apps of mobieltjes kun je heel snel en direct feedback krijgen als je thuis oefent met het anders aanpakken van zaken.” Een app kan registreren hoe laat mensen opstaan, opmerken hoeveel ze bewogen hebben en hen daarop wijzen. “Of een app die tips geeft over wat helpende gedachten kunnen zijn op bepaalde momenten. Of die reminders geeft en ook positieve feedback.” Door op het moment zelf feedback te krijgen wordt de impact van interventies groter, denkt Knoop. “Dat doe je in therapie vaak achteraf, terugkijken wat er gedaan is. Dat kan dan ook meteen.”

Een volgende stap zou geautomatiseerde feedback kunnen zijn. “Dat zorgt voor steun en hulp op het moment dat de patiënt het nodig heeft, niet alleen wanneer de therapeut beschikbaar is.” Misschien kan dat via de smartphones, die registeren veel informatie en dat kan worden ingezet. Dan komt er meer feedback en interventie, aldus Knoop.

Behandeling via internet kost zo'n 30 tot 40% minder tijd dan face-to-facebehandeling

Ook denkt hij aan het meer betrekken van de omgeving van de patiënt. “Denk bijvoorbeeld aan videobellen met de patiënt, maar ook met naasten en de therapeut. Zo kan je samen bespreken hoe het gaat. Dat zijn wel toepassingen waardoor online therapie krachtiger kan zijn dan bij een behandelcentrum langsgaan en een uur praten.” De patiënt kan dan bijvoorbeeld naasten uitnodigen op hun pagina en hen meer deelgenoot maken van het proces, aldus Knoop. “Daarmee geef je hen ook de controle om hulp te vragen en dit zelf te doen.”

Eraan wennen

Over het algemeen hoort Knoop veel positieve reacties over ehealth. “De techniek moet wel goed werken, anders haken mensen af.” Behandelaren reageren gevarieerder, merkt hij. “Veel behandelaren kiezen het vak vanwege het contact met mensen in de spreekkamer. Contact via e-mail of videobellen vinden sommige therapeut minder prettig. Je werkt ook heel anders als je contact houdt via berichten en iemand niet ziet.”

'Je moet de cliënt veel regie geven. Dat is positief, maar ook wennen'

Knoop begrijpt dat therapeuten eraan moeten wennen en dat het tijd kost om te leren hoe het werkt. “Het is een andere manier van werken, maar het is ook leuk om te doen naast het normale werk. Sommigen zijn bang dat hun werk te veel verandert. Als therapeut heb je vaak wat minder zicht op wat iemand aan het doen is.” Maar in minder tijd dan in de reguliere behandeling worden dezelfde resultaten behaald, benadrukt hij. “Patiënten komen net zo ver met minder begeleiding. Dus het is efficiënt en de patiënt heeft meer de regie. Dat is positief, maar ook wennen.”

Interessant?

Genoten van dit interview? Misschien ben je dan ook geïnteresseerd in één van de andere jubileuminterviews: